Nederlandsche Christelijke Landarbeidersbond

Uit Wiki Zeeuwse Bibliotheek
Ga naar: navigatie, zoeken
Nederlandsche Christelijke Landarbeidersbond ( NCLB )
Boekje van de NCLB over de opbouw van bedrijfspensioen

In 1914 werd de Nederlandsche Christelijke Landarbeidersbond opgericht, waarin eerder ontstane kleinere bonden uit Noord-Nederland en de Bollenstreek zich verenigden. Evenals het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV), waarbij zij aangesloten was, verwierp de NCLB de klassenstrijd, één van de principes van het socialisme. Begin 1916 had de NCLB 24 plaatselijke afdelingen, waarvan één in Zeeland: Oud-Vossemeer.

Oud-Vossemeer eerste Zeeuwse afdeling

Al voor 1914 was er in de regio rond Klundert door de gemeentesecretaris van die plaats propaganda gemaakt voor de organisatie van landarbeiders. Zo werd de noordwesthoek van Noord-Brabant een centrum van de NCLB. Het tegenaan deze regio liggende Oud-Vossemeer op Tholen kreeg in november 1915 een afdeling met maar vijf leden. Deze boekte echter wel succes: binnen een half jaar kon de afspraak worden gemaakt met de boeren van Oud-Vossemeer dat zij de landarbeiderlonen met f 1,50 per week zouden verhogen.

Patrimonium

Elders in Zeeland werd het idee van vakorganisatie door landarbeiders, met als doel te komen tot betere lonen en arbeidsvoorwaarden door middel van onderhandelingen met de boeren-werkgevers, uitgedragen door de afdelingen van ‘Patrimonium’. Dit was een landelijke organisatie voor bezinning op sociaal gebied die voornamelijk vanuit de Gereformeerde Kerken in Nederland werd opgezet. Vooral op Walcheren waren tussen 1909 en 1912 enkele actieve Patrimonium-afdelingen ontstaan. Eén van degenen die aan deze oprichtingsgolf had meegewerkt, de typograaf W. Wattel uit Middelburg, maakte in de winter van 1915 op 1916 op zes verschillende plaatsen op Walcheren propaganda voor de NCLB. In februari 1918 werd vervolgens de afdeling Serooskerke (Walcheren) opgericht. Hier was een actieve afdeling van Patrimonium, terwijl ook de sociaalvoelende predikant van het naburige Gapinge, de jonge Ds. J.W. Maas, meewerkte. Veel invloed had ook J. Schout, koordirigent en bode van de plaatselijke werkliedenvereniging. In deze laatste functie kwam hij met veel mensen in contact zodat hij gemakkelijk propaganda kon bedrijven. Bovendien was hij niet afhankelijk van een werkgever.

Organisatie

Zoals bij elke vakbond waren de leden in plaatselijke afdelingen georganiseerd en werd er contributie betaald aan de landelijke bond. De leden van de NCLB ontvingen een veertiendaags blad, De Christelijke Landarbeider. In 1919 groeide het aantal afdelingen in Zeeland flink. Er kwamen enkele grote afdelingen bij met vijftig of meer leden (Zaamslag, Nieuwdorp) en een aantal kleinere (Goes, Kloetinge, Rilland-Bath, Krabbendijke, Oostkapelle, Aagtekerke, Koudekerke en Poortvliet). In 1920 kreeg de NCLB ook afdelingen in de vijf dorpen op Tholen waar tot dan toe nog geen afdeling was. Mogelijk fungeerde de NCLB in enkele of meer plaatsen op Tholen vooral als minder militant alternatief voor de Nederlandschen Bond van Arbeiders in het Landbouw- en Zuivelbedrijf (onderdeel van het socialistische NVV) die er ook overal afdelingen had. Elders in Zeeland was dat niet het geval. Ook niet in Oud-Vossemeer trouwens: daar staakten de leden van de NCLB-afdeling in 1920. In de jaren na 1919 verlieten veel landarbeiders weer de bond. Dit waren hoofdzakelijk mensen die lid waren geworden om zo nodig te kunnen profiteren van de werkloosheidskas van de bond. Het ledenverlies betekende ook de opheffing van veel afdelingen, zodat eind 1922 nog maar negen afdelingen in Zeeland resteerden: vier op Tholen en vijf op de Bevelanden. Sommige voormalige afdelingen gingen verder als werkliedenvereniging, dus als plaatselijk fonds voor uitkering (in de plaats van gederfd loon) bij ziekte. Ook was de repressie door de boeren-werkgevers toegenomen naarmate de opbrengsten in de landbouw aan het begin van de jaren twintig lager werden. Daarmee kregen onder meer de NCLB-afdelingen Wissekerke (onder voorman L.A. Abrahamse) en Rilland-Bath te maken. In 1925 zorgde een dreigende staking in westelijk Zuid-Beveland voor meer bewustwording onder de landarbeiders. De belangentegenstelling tussen boeren en landarbeiders werd toen met name scherp aangevoeld in Wolphaartsdijk, waar de NCLB geleid werd door Pieter Luikenaar.

Succes in de jaren dertig

Tussen 1924 en 1929 schommelde het ledental van de NCLB in Zeeland tussen amper 440 en ongeveer 550 personen. Door een propagandacampagne vanuit de Middelburgse besturenbond van het CNV in 1928, kwamen er op Walcheren weer enkele afdelingen bij. Bij deze campagne speelde de Middelburgse propagandist Pieter Meliefste een grote rol. Een grote en succesvolle afdeling was inmiddels ook die te Sint-Philipsland, die in 1926 overeenstemming met de plaatselijke boeren-werkgevers had bereikt over lonen, arbeidsvoorwaarden, ziekteregeling en een eventueel scheidsgericht. De economische wereldcrisis die in 1929 begon en in de jaren daarna ook de landbouw in sterk negatieve zin beïnvloedde, bevorderde de groei van de verschillende landarbeiderbonden in hoge mate. Ook het feit dat steeds meer gemeenten aangesloten waren bij het Werkloosheidsbesluit 1917, speelde mee. Wie in een aangesloten gemeente woonde, kreeg een dubbele uitkering bij werkloosheid. Gedurende 1931 nam het aantal afdelingen van de NCLB in Zeeland toe met 31. Daarbij waren ook afdelingen in Zeeuws-Vlaanderen, waar tot dan toe nog geen propagandist werkzaam was geweest. Axel en omgeving hadden wel actieve afdelingen van Patrimonium die voor de NCLB voorbereidend werk hadden gedaan. In 1931 verviervoudigde het aantal leden in Zeeland van 557 tot 2.150. In 1932 ontstonden nog eens zeventien nieuwe afdelingen in de provincie.

Samenwerking

Enkele jaren daarna begon de NCLB actief samen te werken met haar socialistische en rooms-katholieke tegenhangers, de Nederlandschen Bond van Arbeiders in het Landbouw- en zuivelbedrijf en de Rooms-katholieke landarbeidersbond ‘St. Deusdedit’ in de voorfase van het overleg (per dorp of per regio) met de organisaties van de boeren-werkgevers. In 1934 was er een scherp conflict tussen de drie landarbeiderbonden en de boerenorganisaties. De eersten meenden dat de regeringssteun aan de landbouw waarin bij de Tarwewet was voorzien, ook ten goede moest komen aan de personeelsleden van de agrarische bedrijven. De hierdoor veroorzaakte stakingsdreiging in Zuid-Nederland (waar juist veel aanhang woonde van de confessionele regeringspartijen) leidde tot de uitvaardiging van de ‘Landbouwcrisisorganisatiebeschikking 1934 II’ die alle boeren die rijks crisissteun ontvingen, verplichtte tot erkenning van de drie grote landarbeiderbonden als overlegpartner en tot aanvaarding van verplichte arbitrage wanneer het niet lukte om plaatselijk te komen tot een collectief contract. Deze beschikking luidde in feite de overwinning van de landarbeiderbonden in, die in delen van Zeeland nog steeds niet door de boerenorganisaties als onderhandelingspartner waren erkend. Het aantal Collectieve Arbeidsovereenkomsten (CAO’s) steeg en arbeidsconflicten werden voortaan vrijwel altijd met behulp van arbitrage (meestal door rijksbemiddelaars) opgelost. In 1911 was er nog geen enkele CAO in de agrarische bedrijfstak geweest, in 1933 waren er 169 Collectieve Arbeidsovereenkomsten die golden voor 7.734 ondernemingen en 31.796 werknemers. Per 1 juni 1940 golden er 250 CAO’s in de landbouw (met plaatselijke dan wel regionale geldigheid) voor 40.499 ondernemingen en 100.920 werknemers. De NCLB had eind 1940 in Zeeland 3.794 leden. In het tweede bezettingsjaar, 1941, ging de NCLB ondergronds. Officieel hief zij zichzelf op, maar de kaderleden hielden onderling contact, zoals bij zoveel andere organisaties tijdens de bezetting. In mei 1945 zette de NCLB haar werk bovengronds voort.

Van NCLB naar NCAB

In Zeeland beschikte de NCLB in 1954 over 2.661 leden, in 1962 over 2.383. Dit op een landelijk totaal van respectievelijk 29.000 en 25.900 leden. Aan het begin van de jaren zestig veranderde de NCLB haar naam in Nederlandse Christelijke Agrarische Bedrijfsbond(NCAB). Het bondsblad De Christelijke Landarbeider was inmiddels vervangen door Samenwerking. In 1969 besloot de NCAB per 1 januari 1971 te fuseren met de Christelijke Bedrijfsgroepencentrale (CBC), de Nederlandse Christelijke Bond van werknemers in Textiel- en Kledingbedrijven ‘Unitas’ en de Christelijke Bond van Sigarenmakers en Tabaksbewerkers. De nieuwe naam was Christelijke Bond van Werknemers in de Voedings-, Agrarische, Recreatie, Genotsmiddelen- en Tabakverwerkende Bedrijven (CVAT). De CVAT werd in de praktijk Voedingsbond CNV genoemd. Zij fuseerde in 1983 met de Industriebond CNV tot de Industrie- en Voedingsbond CNV.

Auteur

Jan Zwemer, 2013

Literatuur

-R. Hagoort, Twintig eeuwen emancipatie. Een overzicht over de ontwikkeling van de positie der landarbeiders naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van de Nederlandse Christelijke Agrarische Bedrijfsbond (Utrecht, 1964).

-J. Zwemer, Een zekel om geit-eten te snieën. De geschiedenis van de landarbeiders op Walcheren 1900-1940 (Middelburg, 1986).

-J. Zwemer, ‘Mijn bedoeling is niet u op te hitsen, o neen…’ De lange worsteling om erkenning van de Nederlandsche Christelijke Landarbeidersbond in het vooroorlogse Zeeland, in: Voorlopers en dwarsliggers. Cahiers over de geschiedenis van de christelijk-sociale beweging. Deel 2 (Amsterdam, 1998) 82-98.

-J. Zwemer, Onrust en welvaart. Het platteland van de Zeeuwse eilanden in het tijdvak van de Eerste Wereldoorlog, 1910-1922 (Vlissingen, 2011).

-J. Zwemer, ‘Sociale geschiedenis en geschiedschrijving in Zeeland: pleidooi voor een benadering van ‘onderop’ en een professionele omgang met bronnen’, in: T. van Gent en P. Ippel (red.), Zeeland en de wijde wereld. Liber Amicorum voor Willem van den Broeke, (Middelburg, 2012) 49-61.