Heshuijsen & De Jonge

Uit Wiki ZB
Ga naar: navigatie, zoeken
firma Heshuijsen & De Jonge
De haven van Zierikzee in 1743, kopergrave van C. Pronk, tekeningen en prenten, ZB, Beeldbank Zeeland, recordnr. 1063

Oprichting en handelsactiviteiten

De handelsvloot van Zierikzee kromp sterk in het derde kwart van de 18de eeuw. In 1770 had Zierikzee nog maar 35 koopvaardijschepen in de vaart. Dat waren er in 1750 nog 77 geweest. De genadeklap kwam tijdens de Vierde Engelse Oorlog. De belangrijkste rederij in die tijd was die van Andries Heshuijsen en Marinus Bonifacius de Jonge, Heshuijsen & De Jonge geheten. De firma werd in 1763 door beiden opgericht. De firma had in 1770 vijf vishoekers in de vaart die uitsluitend voor de visvangst waren bestemd. Zierikzee viste in die jaren vooral op de kabeljauw en in de zomermaanden ook in de zee rond IJsland op haring. Ook bezat de firma nog een aanal hoekers voor de oester- en kreeftenhandel. De belangrijkste bestemmingen waren de Bocht van Frankrijk, England en Noorwegen. Op Frankrijk werd met vis, kaas en landbouwproducten zoals meekrap, graan erwten en bonen gehandeld. Exportproducten die naar Zierikzee terugkwamen waren wijn, zout en kastanjes. Vanuit Ierland werden boter, rundlvees en gezouten huiden gehandeld en met Engeland werd naast kolen vooral op oesters en prikken gehandeld. Uit Noorwegen werden producten als vis, hout en kreeften gehaald.[1]

Voortzetting van het bedrijf door boekhouderJoost IJzerman

In 1773 overleed Marinus Bonifacius de Jonge op 36-jarige leeftijd, en Andries Heshijsen stierf in 1776. Tot aan de meerderjarigheidsverklaring van Cornelis de Jonge zou Joost IJzerman de zaken van de firma behartigen. Hij was kassier en later boekhouder bij de firma. Ook Samuel Boeije en de koopman-reder Gillis van IJsselsteijn werkten tijdens de Vierde Engelse Oorlog voor de firma.

In de jaren zeventig van de achttiende eeuw nam de vaart op West-Indië een vlucht. Na het aanbreken van de Vierde Engelse Oorlog vielen in korte tijd acht Zierikzeese koopvarders in Engelse handen, waarvan twee van de firma Heshuijsen & De Jonge. De Slavenkas keerde in de daaropvolgende jaren bijn 3.700 gulden uit om gevangengenomen zeelieden te ondersteuenen.Om door te kunnen blijven varen verkocht Joost IJzerman op 3 oktober 1781 het hoekerschip Hillegonda Christina aan de in Oostende woonachtige Jan Janse Koster –vermoedelijk een transactie die het omvlaggen van het schip moest verhullen. Na het sluiten van de wapenstilstand in 1783 stond de hoeker immers weer in Zierikzee geregistreerd. Uiteindelijk zeilden de laatste hoekers van de firma aan het begin van de jaren 1890 uit.[2]

Heshuijsen & De Jonge in de commissievaart

Om van de premieregelingen in de commissievaart te profiteren rustte de firma Heshuijsen & De Jonge in de zomer van 1781 de Hoop uit. De veertigkoppige bemanning van de logger werd gecommandeerd door kapitein Jean Cassin en bezat veertien stukken geschut van divers kaliber. In oktober 1781 zeilde Cassin voor het eerst uit en boekte hij enige successen. De reders waren echter niet tevreden over de zeilkwaliteiten van het schip en kochten in december 1781 een door Franse kapers buitgenomen Engels schip dat de Goede Verwachting werd genoemd. Deze met achttien stukken bewapende barkentijn was door zijn bekoperde scheepshuid sneller en wendbaarder; er werden dan ook diverse Engelse schepen meet buitgemaakt. In juni 1782 stapte Cassin over op een Middelburgs kaperschip waarna het gezag werd overgenomen door de Franse kapitein Jacques le Breton. Ook hij was redelijk succesvol, maar kon niet voorkomen dat een waardevolle prijs door de Engelsen werd hernomen. Inmiddels was de Zierikzeese kapitein Johan Willem Sextroh na bijna twee jaar afwezigheid uit de West teruggekeerd, en deze nam het commando van het schip over. Hij wist op 28 oktober 1782 met de Goede Verwachting een Engelse pakketboot, de Dolphin onder kapitein Matthew Flynn buit te nemen. Het schip voer van Hellevoetsluis naar Harwich, maar de kapitein kon geen paspoort van de Staten-Generaal overleggen. Pogingen om postzakken overboord te gooien konden worden voorkomen, waardoor men spionage vermoedde; al konden in de correspondentie geen belastende stukken worden gevonden. De stukken werden daarom ingepakt en met excuses van de Staten-Generaal aan de Engelsen teruggegeven. Op deze expeditie wist Sextroh nog drie schepen voor zijn reders te nemen waaronder een Engels fregat en een Oostzeevaarder.[3]

Auteur

-J. Francke, 2017

Literatuur

Noten