Pootaardappelen

Uit Wiki Zeeuwse Bibliotheek
Ga naar: navigatie, zoeken
Pootaardappelen

Zeeuwse pootaardappelen werden al vroeg geroemd om hun kwaliteit; de Wilhelminapolder verkocht in 1835 niet minder dan 1400 mud. Van oudsher werd uit de consumptieaardappelen de kleinste maat als pootgoed gebruikt; het werd uitgezocht op gezondheid, vooral na de beruchte 50-er jaren van de 19e eeuw waarin veel aardappelziekte voorkwam. Verbetering in deze methode werd pas bereikt na invoering van het keuringssysteem te velde (op stam), waarbij men ook op ziekteverschijnselen in het inmiddels speciaal als pootaardappel geteeld gewas kon selecteren. Naarmate de kennis van virus ziekten toenam, kon men door herhaalde controle de Zeeuwse pootaardappelen een goede naam bezorgen, ook in het buitenland. Dit was mede te danken aan een verbeterde opslagmethode van het pootgoed, in glazenwandige bewaarplaatsen met verwarming. De beschermende maatregelen in het buitenland maakten in de crisisjaren vóór WO II een eind aan deze winstgevende cultuur. Na WO II heeft Zeeland zijn vroegere positie op pootgoedgebied niet weten te hernemen. Het feit dat men in het noorden des lands een voor de pootaardappel gunstiger klimaat had dan in Zeeland drong hier de belangstelling voor pootgoedteelt terug Van keuringszijde moesten hier vroegere rooidata worden voorgeschreven omdat in het warmere klimaat de ziekteoverbrengende bladluizen het aardappelgewas plachten aan te tasten. Dit bracht met zich mee dat het pootgoed langer bewaard moest worden, wat het product duurder maakte. In het district Zeeland van de Keuringsdienst Delta-Nederland kan de N.A. K werden in 1977 en 1978 voor de veldkeuring aangegeven: 921, 89 en 897,71 ha. Goedgekeurd werden resp. 763,52 en 881,17 ha, waarvan de overgrote meerderheid in klasse A. Van de rassen neemt Bintje met ± 70% het leeuwendeel in; tweede in rang is het ras Alpha. Van de kleinere rassen kunnen genoemd worden: Patrones, Jearla en Désirée. Behalve de naam 'pootgoed' wordt in Zeeland ook wel de naam 'zetters' voor pootaardappelen gebruikt. Een 'poter' is een aardappel van klein formaat die geschikt is om te poten (deze naam wordt ook wel aan een consumptieaardappel gegeven met een maat tussen groot en kriel). Pootgoedbewaarplaatsen. Voor WO II zijn in Zeeland veel pootgoedbewaarplaatsen gebouwd met wanden van gewapend glas en eternieten dak, waarin bij kou gestookt kon worden. Deze werden zowel door particulieren als in coöperatief verband gebouwd. Het pootgoed werd in kistjes of bakken van ±10 kg inhoud opgestapeld om voor te kiemen. De vroegtijdig uitlopende 'poter' diende regelmatig om- of overgestort te worden om de kiem kort en sterk te houden, een intensieve arbeid. Ook de belichting en beluchting vroeg en de nodige aandacht (stapels keren). Naast deze methode van bewaring is later overgegaan op bewaring in consumptieaardappelkoelhuizen. Het gekochte pootgoed behoefde, alvorens pootklaar te zijn, een voorafgaande warmtebehandeling (warmtestoot). Deze methode werd onmogelijk toen het gebruik van kiemremmingsmiddelen voor consumptieaardappelen in gang vond. Thans worden ze in aparte koel cellen bewaard. Om een vroegtijdige en controleerbare kiemvorming te bewerkstelligen liet men het pootgoed bij dag-en/of lamplicht voorkiemen in de pootgoedbewaarplaatsen, waarna ze aan de aarde werden toevertrouwd. Tegenwoordig wordt het pootgoed juist zonder uitlopers in de grond gepoot omdat de nu gemechaniseerde handeling de kiemen zou schaden. Pootaardappelen die ten gevolge van te koude weersomstandigheden of door andere oorzaken, bijv. een te fijne kiem (naaldkiemen), na het poten niet uitkomen worden 'onderzeeërs' genoemd. `Rotkonten' zijn door het aardappelaaltje aangetaste aardappelknollen.


AUTEUR

M.A. Geuze