Pluimveehouderij

Uit Wiki Zeeuwse Bibliotheek
Ga naar: navigatie, zoeken
Pluimveehouderij

Evenals in de rest van Nederland waren voor 1940 op vrijwel elk boerenbedrijf een aantal kippen aanwezig. Deze loslopende kippen scharrelden rond de boerenhoeve, pikten wormen en insecten en waren actief op de mestvaalt. Eén of meerdere malen per dag werd wat graan gestrooid. In de winter werden gekookte aardappelen en/of brood verstrekt. Met dit voedsel waren geen topproducties te bereiken. De kippenhouderij was geheel gericht op zelfvoorziening; de te veel gelegde eieren gingen naar de kruidenier ter plaatse. Naast de 10 tot 50 legkippen werden er een of meer hanen gehouden. De kippen legden dus bevruchte eieren die, als men dat wenste, konden worden uitgebroed. Omdat de kippen los liepen kwam het echter ook vrij regelmatig voor, dat de eieren op een moeilijk bereikbaar plekje werden gelegd, waar deze eieren door de broeds geworden kippen werden uitgebroed. De eigenaar werd in dit geval plotseling door een kloek met kuikens verrast. Meestal echter werd wel overwogen een broedse kip op eieren gezet en kwamen na 21 dagen de kuikens uit. Op een aantal bedrijven werd kunstmatig gebroed, maar dit systeem van broeden werd nog weinig toegepast. In voornoemde periode waren het veel Nederlandse rassen die als boerenkip werden gehouden. Enige bekende rassen waren: Witte Leghorn en Rhode Island Red, terwijl daarnaast een aantal kruisingen voorkwam. Er waren nog geen commerciële fokbedrijven of kuikenboerderijen die op landelijk niveau werkten. Ook aan de ziektebestrijding werd weinig gedaan. De kippen werden vaak meerdere jaren aangehouden. Het aantal eieren per kip was erg laag. Een bekend systeem van huisvesting was het kippenhok boven de koestal. Langs de buitenmuur was het kippentrappetje aangebracht, waarlangs de kippen het hok konden bereiken. Deze veelal vochtige plaats was zeer ongunstig voor de gezondheid en de productie van de kippen. De vrijstaande kippenhokken waren beter doch misten isolatie en regelbare ventilatie. Dit betekende dat bij hoge buitentemperatuur de hokken van binnen te warm waren en tijdens de winterperiode niet vorstvrij te houden. Het gevolg was veel bevroren kammen. Het strooisel in de hokken was niet droog te houden, zodat bacteriën zich konden ontwikkelen, maar ook wormen kwamen vrij regelmatig voor. In die periode werd de herfst- en winterverlichting vrijwel niet toegepast, met als gevolg een lage of geen eierproductie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de kippenhouderij t.g.v. gebrek aan graan zeer beperkt zodat men zelfs bepaalde rassen moest beschermen. Tot 1961 werd een vergunningenstelsel gehandhaafd doch daarna nam de kippenhouderij in Nederland een grote klucht. Een aantal legrassen werd ontwikkeld: Hy – Line - Bovans – Shaver - Hisex - L.S.L. - Hubbard - Dekalb – Tetra – Warren - Babcock. Ze produceren 300-320 eieren per 14 maanden. Van de Nederlandse pluimveestapel is ± 30% van het bruine legras. Fokbedrijven en kuikenboerderijen (in 1975 resp. 17 en 184 in aantal) zorgden voor modernisering, opfok, gezondheid en kwaliteit. 82% van de landelijke leghennenstapel en 75% van de slachtkuikensector concentreerde zich op het zand in vier provincies, t.w. Overijssel, Gelderland, Brabant en Limburg. Het Zeeuwse aandeel daarbij is van klein belang gebleven. Toch kent onze provincie verspreid enige grotere bedrijven. In de eierproductiesector is het meest besproken verschijnsel dat van de legbatterijen. In grote lijnen gaat het om vier soorten. Binnen elke soort treft men verschillen de tussenvormen aan. In de kooien worden drie, vier of vijf kippen geplaatst. Dit aantal is afhankelijk van de kooiafmetingen. De batterijen worden in rijen opgesteld. Voor de kooien is een voedergoot aanwezig, die door de voederhopper of voederketting op regelmatige tijden wordt gevuld. Er is een drinkgoot of er zijn drinknippels aan de kooien bevestigd, die op de waterleiding zijn aangesloten. De geproduceerde eieren rollen over de batterijbodem naar de eierlade. De eieren worden met de hand opgeraapt of worden door middel van een eiertransportband naar de eierverzameltafels aan het einde van de batterij getransporteerd. De eieren worden vanaf deze tafels met de hand of via een eierinpakmachine op de eiertrays geplaatst. Bij de huisvesting is de aanvullende of totaal kunstmatige verlichting voor de eierproductie van groot belang. In de natuur leggen de kippen alleen in het voorjaar en in de zomer. Het eierverbruik is in Nederland laag in vergelijking tot Duitsland (onze grootste afnemer) en de VS. In 1975 bedroeg het hoofdelijk verbruik 190 stuks per jaar. Scharrelkippen zijn kippen die niet of gedeeltelijk op draadroosters worden gehouden. De bezetting is zeven kippen per m2. De eieren van deze kippen worden als regel tegen een hogere prijs verkocht, de kwaliteit is echter gelijk aan die van de batterijeieren. Het aantal bedrijven met scharrelkippen is gering doch in opkomst. Een aparte van belangzijnde bedrijfstak is de kuikenslachterij, waarbij men van veel zwaarder uitgangsmateriaal gebruik maakt. De provincie Zeeland bezit het enige landelijk vermeerderingsbedrijf voor parelhoenders. De dieren worden kunstmatig geïnsemineerd. De broeddieren worden in broedmachines uitgebroed. De kuikens worden evenals slacht kuikens opgefokt. Per m2 worden echter niet meer dan 15 dieren geplaatst. De opfok neemt 10 weken in beslag. De dieren wegen op deze leeftijd 1100 gram. Het vlees is zeer fijn van smaak, maar de consumptie is in Nederland nog gering. De Vereniging van Pluimveehouders in de provincie Zeeland (V.P.Z.) houdt zich in hoofdzaak bezig met het functioneren van het proefbedrijf 'Zeeland' te Wissenkerke, dat speciaal gericht is op het houden van rassenvergelijkingsproeven. De bedrijfsvoorlichting voor de pluimveehouderij is gevestigd in het Landbouwcentrum te Goes.


AUTEUR

M.A. Geuze

AFBEELDING

Scharrelkippen op het erf van een boerderij, de traditionele wijze van kippenhouden.