Koekoeksbloem

Uit Wiki ZB
Ga naar: navigatie, zoeken
Koekoeksbloem

Tekst uit de Encyclopedie van Zeeland 1982-1984


Vier plantesoorten, behorend tot de familie der muurachtigen met grote rose-rode of witte bloemen. In Zeeland komt de avondkoekoeksbloem (Melandrium album) het meest algemeen voor. Deze plant heeft eenslachtige grote witte bloemen en is overal in de provincie te vinden in ruige wegbermen, slootkanten en op dijken. De nachtkoekoeksbloem (M. noctiflorum) heeft tweeslachtige bloemen die iets meer rose zijn dan die van de vorige soort. De nachtkoekoeksbloem is een zeldzaam akkeronkruid, dat vrijwel uit Zeeland verdwenen is. De derde soort is de dagkoekoeksbloem (M.rubrum). Deze soort lijkt vrij sterk op de beide vorige. Zij heeft echter eenslachtige duidelijke rose-rode bloemen. Het is een in Nederland algemene plant van zandige doch vruchtbare bosen struweelbodems. In Zeeland komt deze soort vrijwel uitsluitend voor in de bossen en struwelen van de binnenduinrand; m.n. op Walcheren algemeen, elders vrijwel geheel ontbrekend. De echte koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi) heeft tweeslachtige, rose-rode bloemen, die onmiddellijk te herkennen zijn aan de diep ingesneden kroonbladen. Komt in grote delen van Nederland algemeen voor in vochtige graslanden en slootkanten, m.n. op veengrond. Verder veel langs beken en in vochtige duinvalleien. Is echter zeer gevoelig voor een te hoog zoutgehalte en ontbreekt dan ook vrijwel overal in het Zeeuwse polderland. Komt in Zeeland hier en daar voor in kwelstroken in de binnenduinrand, op enkele drooggevallen platen in Veerse Meer en Grevelingen en op enkele plaatsen in Zeeuws-Vlaanderen. De naam koekoeksblomme wordt in het Zeeuws (vooral) ook gebruikt voor andere soorten dan hierboven beschreven. Het betreft dan meestal de pinksterbloem veldkers) of orchissoorten orchis).


AUTEUR

A.M.M. van Haperen


KOELMAN, Jacobus

(Utrecht 1632 - Utrecht 6 februari 1695). Predikant.

Is een van de meest interessante en belangrijke figuren geweest die de kerkgeschiedenis van Zeeland heeft gekend. Hoewel hij na een twaalfjarig verblijf in Sluis als predikant werd afgezet en zelfs uit Zeeland werd verbannen, is zijn invloed in zijn gemeente en in de classis Walcheren, waartoe hij behoorde, niet gering geweest. Als in een brandglas trok zich in hem samen wat er in de 17e eeuw in deze provincie kerkelijk en daarmee ook politiek, aan de orde was en dit veroorzaakte een felle vlam die een uitslaande brand dreigde te worden. Hoewel er nadien voor hem geen plaats meer was in de kerk, is zijn betekenis voor het hele land niet te onderschatten. Na zijn studie te Utrecht werd Koelman van 1657 tot 1662 ambassade-predikant, eerst te Kopenhagen, later te Brussel, tot hij in Sluis werd beroepen. Hoewel niet van Zeeuwse afkomst, is hij tijdens zijn studie in nauwe aanraking gekomen met de gedachtenwereld van de Zeeuwse Nadere Reformatie. Zodra hij in Zeeland was, zette hij zich in voor de heiliging van de zondag, die in deze grens- en garnizoensstad nog wel wat te wensen overliet. De zondagen waren volgens Koelman zondedagen geworden. En niet alleen ging het hem om de zondagen, maar om heel het zedelijk leven van de bevolking in Sluis, die op dit gebied geen beste naam had door de overvloedige openbare gelegenheden en de beruchte feesten tijdens de kermis van Brugge. Wat in de Zeeuwse grallenstrijd tot uiting was gekomen met betrekking tot de verhouding tussen kerk en overheid, had Koelman in zich verwerkt en hij is een pleitbezorger geweest voor de vrijheid van de kerk om haar eigen zaken te mogen behartigen. Van dit laatste zou Koelman het slachtoffer worden, hoewel hij nadien vanuit Amsterdam de strijd onverdroten heeft voortgezet. Kerkelijk is hij klem komen te zitten door zijn weigering de kerkelijke formulieren en officiële gebeden te gebruiken omdat die te veel sleur meebrachten en daardoor geestdodend werkten. Een predikant moest eigen ongeloof niet achter de woorden van anderen verbergen. Al spoedig nadat Koelman op 13 augustus 1662 als predikant te Sluis was bevestigd en met het leven in deze stad kennis had gemaakt, bond hij de strijd aan. De kerkenraad is mede verantwoordelijk voor het zedelijk peil van de samenleving. Dit kan niet buiten de vroedschap om. Ieder heeft hier, ook volgens Koelman, een eigen, van God gegeven taak. Gezamenlijk zullen ze deze moeten volbrengen. Onder zijn leiding ging de kerkenraad strenger optreden. Om sleur te vermijden gebruikte Koelman geen formuliergebeden meer. Voor de formulieren van doop, avondmaal en huwelijk voelde hij ook al niets. Mensen vielen erbij in slaap. De christelijke feestdagen vonden ook geen genade in zijn ogen. Ze waren aanleiding tot veel losbandigheid. Om hierin verbetering te brengen paste de kerkenraad de kerkelijke tucht toe. Dat geschiedde nogal rigoureus, maar niemand werd ontzien, ook magistraatspersonen niet. Het gebeurde dat er 100 gecensureerden waren. En hier ontstond het conflict tussen kerk en overheid. In 1664 besloot de magistraat van Sluis niet twee, maar drie afgevaardigden te zenden naar het collegium qualificatum, om zodoende meer invloed te krijgen op het benoemen van ouderlingen en diakenen en het beroepen van predikanten. De kerkenraad protesteerde en bracht deze zaak voor de classis Walcheren en kreeg daar gelijk. Toen er beroepen moest worden (Sluis had twee predikanten), weigerde de overheid mee te werken en het beroepingswerk bleef stilliggen. De kerkenraad schakelde wederom de classis in. Een deputatie van classis, Staten, magistraat van Sluis en leden van de kerkenraad, vergaderde op het stadhuis en er kwam een compromis tot stand. Toen het echter op beroepen aankwam, rezen er twee moeilijkheden. De afgevaardigden van de magistraat eisten dat een predikant op wie de kerkenraad het oog had, zou worden gepasseerd. Het vuur laaide weer hoog op. Aan Koelman werd zelfs huisarrest opgelegd en hij bleef vechten voor het recht van de kerk om in eigen zaken te kunnen beslissen. De kerkenraad hanteerde de censuur. Maar niettegenstaande dit alles beleefde de gemeente Sluis een geestelijke opwekking, die zich verspreidde over heel de classis Walcheren. Begin 1673 rezen er weer moeilijkheden rondom de weigering van Koelman het doopformulier te lezen en een censuurgeval hij een burgemeester. Koelman werd aangeklaagd bij zijn classis, die besliste dat hij zich letterlijk moest houden aan het doopformulier en de vragen daarbij. Nu lag Sluis in een Generaliteitsland, wat betekende dat het niet viel onder de Staten van Zeeland, maar direct onder de Staten-Generaal. Daar de gemeente viel onder de classis Walcheren, was zij wel gebonden aan de Zeeuwse kerkorde van 1591. De Raad van State had hier politiek alles te zeggen en vroeger al eens geëist dat ieder beroep van een predikant aan hem moest worden voorgelegd. Noodgedwongen had de kerkenraad zich daarbij moeten neerleg en. Afgevaardigden van Sluis brachten de zaak van Koelman nu ter sprake in de Staten-Generaal in Den Haag. Aan de classis Walcheren werd toen geordonneerd Koelman te brengen tot confirmatie doch deze weigerde. De Staten-Generaal hebben hem toen in 1674 verboden te preken en kerkelijke vergaderingen te bezoeken. Koelman ging toen, niet alleen in Sluis maar ook op andere plaatsen, huissamenkomsten organiseren. Dit had een nieuwe aanklacht van de heren van Sluis ten gevolge. Een nieuw gebod werd dat Koelman zich onvoorwaardelijk moest onderwerpen of anders Sluis en de Generaliteitslanden moest verlaten. Hij voelde dat hem ten slotte toch niets anders over zou blijven dan dit laatste en zo verliet hij Sluis op 17 juni 1675, een verslagen gemeente achterlatend. Alleen in Vlissingen heeft men tekenen gegeven dat men Koelman niet als een veroordeelde beschouwde, maar toen kreeg men onmiddellijk te maken, zowel met de Staten van Zeeland als met de classis. Koelman mag dan wel geen gemakkelijk man zijn geweest wanneer men het met hem aan de stok kreeg en hij mag dan met een hardnekkige eigenzinnigheid zijn weg zijn gegaan, dat neemt niet weg dat hij met een onverschrokken moed heeft gestreden voor de vrijheid van zijn kerk. Zoals de zaken echter toen lagen, moest dit op zulk een ontknoping uitlopen. En de classis Walcheren heeft hier de vlag moeten strijken voor de overheid, zij het dan in dit geval niet die van Zeeland. Hoewel Koelman ook nadien zijn conventikels verzamelde, heeft hij de kerk niet vaarwel gezegd, maar wilde met haar verbonden blijven en zijn huisgemeenten beschouwde hij als cellen in de gemeente. Koelman heeft veel gemeen met Jean de Labadie. Toch gingen hun wegen uit elkaar toen De Labadie een kerk verzamelde los van zijn eigen gemeente. Hoewel er voor Koelman geen plaats meer was als predikant in de kerk en hij principieel weigerde de sektarische kant op te gaan, was zijn betekenis voor de kerk na zijn vertrek uit Sluis niet afgelopen. Hoeveel moeilijkheden hij in Rotterdam en Amsterdam ook mocht krijgen, hij is blijven strijden voor een voortgaande reformatie van zijn kerk, als een wachter op Sions muren, maar dit valt buiten de Zeeuwse geschiedenis.

Een van de eerste geschriften die hij na zijn vertrek uit Zeeland schreef was: ‘Pointen van Nodige Reformatie’, uit welk boek men zijn strijd in Sluis kan proeven. Hij moet ook hebben geweten van de strijd om de sabbat.

In 2008 werd te Sluis een herdenkingspaneel over Koelman onthuld.


AUTEUR

S.J.M. Hulsbergen, gecontroleerd redactie 2013


LITERATUUR

Krull, Koelman.

Zilverberg. Geloof en geweten.

Eekhof, Koelman te Sluis.

Eekhof, Koelman te Amsterdam.

C.J. Meeuse, Jacobus Koelman (Kampen, 2008).


AFBEELDING

Jacobus Koelman, predikant te Sluis.


Tekst uit de Encyclopedie van Zeeland 1982-1984


(Utrecht 1632 - Utrecht 6 febr. 1695). Predikant. Is een van de meest interessante en belangrijke figuren geweest die de kerkgeschiedenis van Zeeland heeft gekend. Hoewel hij na een twaalfjarig verblijf in Sluis als predikant werd afgezet en zelfs uit Zeeland werd verbannen, is zijn invloed in zijn gemeente en in de classis Walcheren, waartoe hij behoorde, niet gering geweest. Als in een brandglas trok zich in hem samen wat er in de 17e eeuw in deze provincie kerkelijk en daarmee ook politiek, aan de orde was en dit veroorzaakte een felle vlam die een uitslaande brand dreigde te worden. Hoewel er nadien voor hem geen plaats meer was in de kerk, is zijn betekenis voor het hele land niet te onderschatten. Na zijn studie te Utrecht werd Koelman van 1657 tot 1662 ambassade-predikant, eerst te Kopenhagen, later te Brussel, tot hij in Sluis werd beroepen. Hoewel niet van Zeeuwse afkomst, is hij tijdens zijn studie in nauwe aanraking gekomen met de gedachtenwereld van de Zeeuwse Nadere Reformatie. Zodra hij in Zeeland was, zette hij zich in voor de heiliging van de zondag, die in deze grens- en garnizoenstad nog wel wat te wensen overliet. De zondagen waren volgens Koelman zondedagen geworden. En niet alleen ging het hem om de zondagen, maar om heel het zedelijk leven van de bevolking in Sluis, die op dit gebied geen beste naam had door de overvloedige openbare gelegenheden en de beruchte feesten tijdens de kermis van Brugge. Wat in de Zeeuwse grallenstrijd tot uiting was gekomen met betrekking tot de verhouding tussen kerk en overheid, had Koelman in zich verwerkt en hij is een pleitbezorger geweest voor de vrijheid van de kerk om haar eigen zaken te mogen behartigen. Van dit laatste zou Koelman het slachtoffer worden, hoewel hij nadien vanuit Amsterdam de strijd onverdroten heeft voortgezet. Kerkelijk is hij klem komen te zitten door zijn weigering de kerkelijke formulieren en officiële gebeden te gebruiken omdat die te veel sleur meebrachten en daardoor geestdodend werkten. Een predikant moest eigen ongeloof niet achter de woorden van anderen verbergen. Al spoedig nadat Koelman op 13 augustus 1662 als predikant te Sluis was bevestigd en met het leven in deze stad kennis had gemaakt, bond hij de strijd aan. De kerkenraad is mede verantwoordelijk voor het zedelijk peil van de samenleving. Dit kan niet buiten de vroedschap om. Ieder heeft hier, ook volgens Koelman, een eigen, van God gegeven taak. Gezamenlijk zullen ze deze moeten volbrengen. Onder zijn leiding ging de kerkenraad strenger optreden. Om sleur te vermijden gebruikte Koelman geen formuliergebeden meer. Voor de formulieren van doop, avondmaal en huwelijk voelde hij ook al niets. Mensen vielen erbij in slaap. De christelijke feestdagen vonden ook geen genade in zijn ogen. Ze waren aanleiding tot veel losbandigheid. Om hierin verbetering te brengen paste de kerkenraad de kerkelijke tucht toe. Dat geschiedde nogal rigoureus, maar niemand werd ontzien, ook magistraatspersonen niet. Het gebeurde dat er 100 gecensureerden waren. En hier ontstond het conflict tussen kerk en overheid. In 1664 besloot de magistraat van Sluis niet twee, maar drie afgevaardigden te zenden naar het collegium qualificaturn, om zodoende meer invloed te krijgen op het benoemen van ouderlingen en diakenen en het beroepen van predikanten. De kerkenraad protesteerde en bracht deze zaak voor de classis Walcheren en kreeg daar gelijk. Toen er beroepen moest worden (Sluis had twee predikanten), weigerde de overheid mee te werken en het beroepingswerk bleef stilliggen. De kerkenraad schakelde wederom de classis in. Een deputatie van classis, Staten, magistraat van Sluis en leden van de kerkenraad, vergaderde op het stadhuis en er kwam een compromis tot stand. Toen het echter op beroepen aankwam, rezen er twee moeilijkheden. De afgevaardigden van de magistraat eisten dat een predikant op wie de kerkenraad het oog had, zou worden gepasseerd. Het vuur laaide weer hoog op. Aan Koelman werd zelfs huisarrest opgelegd en hij bleef vechten voor het recht van de kerk om in eigen zaken te kunnen beslissen. De kerkenraad hanteerde de censuur. Maar niettegenstaande dit alles beleefde de gemeente Sluis een geestelijke opwekking, die zich verspreidde over heel de classis Walcheren. Begin 1673 rezen er weer moeilijkheden rondom de weigering van Koelman het doopformulier te lezen en een censuurgeval hij een burgemeester. Koelman werd aangeklaagd bij zijn classis, die besliste dat hij zich letterlijk moest houden aan het doopformulier en de vragen daarbij. Nu lag Sluis in een generaliteitsland, wat betekende dat het niet viel onder de Staten van Zeeland, maar direct onder de Staten-Generaal. Daar de gemeente viel onder de classis Walceren, was zij wèl gebonden aan de Zeeuwse kerkorde van 1591. De Raad van State had hier politiek alles te zeggen en vroeger al eens geëist dat ieder beroep van een predikant aan hem moest worden voorgelegd. Noodgedwongen had de kerkenraad zich daarbij moeten neerleg en. Afgevaardigden van Sluis brachten de zaak van Koelman nu ter sprake in de Staten-Generaal in Den Haag. Aan de classis Walcheren werd toen geordonneerd Koelman te brengen tot confirmatie doch deze weigerde. De Staten-Generaal hebben hem toen in 1674 verboden te preken en kerkelijke vergaderingen te bezoeken. Koelman ging toen, niet alleen in Sluis maar ook op andere plaatsen, huissamenkomsten organiseren. Dit had een nieuwe aanklacht van de heren van Sluis ten gevolge. Een nieuw gebod werd dat Koelman zich onvoorwaardelijk moest onderwerpen of anders Sluis en de generaliteitslanden moest verlaten. Hij voelde dat hem ten slotte toch niets anders over zou blijven dan dit laatste en zo verliet hij Sluis op 17 juni 1675, een verslagen gemeente achterlatend. Alleen in Vlissingen heeft men tekenen gegeven dat men Koelman niet als een veroordeelde beschouwde, maar toen kreeg men onmiddellijk te maken, zowel met de Staten van Zeeland als met de classis. Koelman mag dan wel geen gemakkelijk man zijn geweest wanneer men het met hem aan de stok kreeg, en hij mag dan met een hardnekkige eigenzinnigheid zijn weg zijn gegaan, met een onverschrokken moed heeft hij terecht gestreden voor de vrijheid van zijn kerk. Maar zoals de zaken toen lagen, moest dit op zulk een ontknoping uitlopen. En de classis Walcheren heeft hier de vlag moeten strijken voor de overheid, zij het dan in dit geval niet die van Zeeland. Hoewel Koelman ook nadien zijn conventikels verzamelde, heeft hij de kerk niet vaarwel gezegd, maar wilde met haar verbonden blijven en zijn huisgemeenten beschouwde hij als cellen in de gemeente. Koelman heeft veel gemeen met Jean de Labadie. Toch gingen hun wegen uit elkaar toen De Labadie een kerk verzamelde los van zijn eigen gemeente. Hoewel er voor Koelman geen plaats meer was als predikant in de kerk en hij principieel weigerde de sektarische kant op te gaan, was zijn betekenis voor de kerk na zijn vertrek uit Sluis niet afgelopen. Hoeveel moeilijkheden hij in Rotterdam en Amsterdam ook mocht krijgen, hij is blijven strijden voor een voortgaande reformatie van zijn kerk, als een wachter op Sions muren, maar dit valt buiten de Zeeuwse geschiedenis.

Een van de eerste geschriften die hij na zijn vertrek uit Zeeland schreef was: Pointen van Nodige Reformatie, uit welk boek men zijn strijd in Sluis kan proeven. Hij moet ook hebben geweten van de strijd om de sabbat.