De-proletarisering

Uit Wiki Zeeuwse Bibliotheek
Ga naar: navigatie, zoeken
De-proletarisering (deproletarisering, de-proletarisatie)
Platteweg te Driewegen. Typisch boerderijtje van het huis-en-schuur type zoals er zoveel verrezen gedurende de ontwikkeling die de-proletarisering wordt genoemd. In verband met ruimtegebrek is later duidelijk zichtbaar de schuur bij het huis getrokken, zijn dakkapellen geplaatst en is de schuur naar achteren uitgebreid, 21 september 2004, foto: J. Francke, Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, recordnr. 116197

Onder de-proletarisering wordt meer algemeen verstaan: de diverse manieren waarop de bezitloze arbeider die slechts zijn arbeid als koopwaar aan te bieden heeft, zelf probeert (of het object vormt van pogingen waarvoor anderen het initiatief hebben genomen) aan deze situatie van afhankelijkheid een eind te maken door het inschakelen van andere bestaansbronnen, met name gerelateerd aan vormen van bezit. Een vorm van de-proletarisering werd bijvoorbeeld beoogd in de arbeidersmedezeggenschap en later in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, die gepropageerd werden door de confessionele vakbonden in het eerste driekwart van de twintigste eeuw. Deze bonden wensten voor de arbeider medezeggenschap en medeverantwoordelijkheid op het niveau van de bedrijfstak en wel via de arbeidersorganisaties. Het streven werd in het algemeen niet met succes bekroond. Een meer specifieke vorm van de-proletarisering is het historische proces waarbij bezitloze landarbeiders zich opwerkten tot landarbeider / klein-landgebruiker door het pachten of kopen van land voor exploitatie in eigen beheer. Het einde van dit proces kon zijn dat de landarbeider in staat was zijn rol als werknemer te beëindigen omdat hij volledig van de exploitatie van zijn eigen boerenbedrijfje kon leven.

Aanwijzingen voor de-proletarisering vóór 1890

Typische kleine hofstede uit de periode van de de-proletarisering aan de Borsselsedijk tussen Borssele en 's-Heerenhoek, februari 1976, foto: J. Bitter, Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, recordnr. 61784
Hof 't Zelve Anders te Serooskerke.Het kleinste type boerderij, zoals gebouwd werd voor landarbeiders die voor zichzelf begonnen te boeren. In verband met de ruimte is later de schuur bij het huis getrokken, foto: J. Francke, 8 april 2004,Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, rec.nr. 114743.

In de sociale geschiedenis van het negentiende- en twintigste-eeuwse Zeeland speelde de-proletarisering in de laatstgenoemde engere betekenis een aanzienlijke rol. In hoeverre er voor de grote agrarische depressie, die circa 1878 begon, sprake was van deze vorm van de-proletarisering, is nauwelijks bekend. Er zijn wel enkele aanwijzingen voor, zoals een relatief lage huwelijksfrequentie (het aantal huwelijken per jaar per duizend inwoners) in oostelijk Schouwen en Duiveland en in de oostelijke Zak van Zuid-Beveland tussen 1850 en 1880. Mogelijk stelden arbeiders hun huwelijk uit of huwden zij niet om geld te sparen voor de pacht of de aankoop van een stuk eigen land. Ook wordt van de landarbeiders op Walcheren, en meer specifiek die te Grijpskerke, in het laatste decennium van de achttiende eeuw gemeld dat zij algemeen in het bezit waren van een eigen stukje land. Vele Grijpskerkse arbeiders hadden ook een schuurtje en één of twee koeien. De-proletarisering werd vooral van belang naarmate de agrarische depressie, vanaf het midden van de jaren 1890, haar invloed begon te verliezen. In de lange gunstige periode voor de landbouw die toen begon en die duurde tot het midden van de jaren 1920, met een hoogtepunt tijdens de Eerste Wereldoorlog, begonnen honderden Zeeuwse landarbeiders land voor eigen rekening te exploiteren. Tijdens de agrarische crisis waren de pachtprijzen gedaald, zodat het voor arbeiders aantrekkelijk werd een stukje grond te huren, terwijl hun lonen na 1895 begonnen te stijgen – sneller dan de pachtprijzen dat deden. Ook werden grote bedrijven door de gestegen loonkosten minder rendabel, zodat grote boeren bezuinigden op arbeid en bereid waren land te verpachten of te verkopen. Verder vergemakkelijkte de in zwang komende coöperatieve aankoop van kunstmest en veevoer het boeren op een klein boerenbedrijf.

Toename bezit eigen land

Landarbeider bezig op zijn eigen land met een rolblok, ca. 1950, Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, rec.nr. 47775.

In 1910, nog voor de bijzonder gunstige jaren van de Eerste Wereldoorlog, hadden de landarbeiders in Zeeland gezamenlijk 4.106 hectare land in eigen exploitatie. Van deze landarbeiders waren er 740 eigenaar en 5.317 pachter van de betreffende grond. De grootte van hun bedrijven was op Noord-Beveland gemiddeld het grootst (1 hectare) en het kleinst in Zeeuws-Vlaanderen (ruim een halve hectare). Voor de verschillen per regio (en per plaats) was de toename tot de landmarkt cruciaal. Zo kwam op Duiveland en in Midden-Zeeland veel meer pachtland vrij dan op Schouwen en West-Zeeuws-Vlaanderen. De toename van de exploitatie van eigen grond vormde een tegenwicht voor de toename van de seizoenwerkloosheid onder losse en los-vaste arbeiders, veroorzaakt doordat er steeds meer hakvruchten (aardappelen, uien en bieten) werden geteeld die vooral in de voorzomer en de vroege en late herfst arbeid vroegen, maar amper in de rest van het jaar. In de tijd dat de boeren-werkgevers geen werk voor hen hadden, konden de losse arbeiders hun eigen bedrijfje exploiteren. Zij deden dat in veel gevallen met enig succes dankzij de onontbeerlijke hulp van hun meewerkende vrouwen en kinderen. Voor de bewerking van het eigen land maakten zij soms gebruik van specifieke werktuigen als de rolblok en de ‘turk’ (een kleine eg) die één man kon voortbewegen door het betreffende apparaat aan één (de turk) of twee (de rolblok) handbomen voort te trekken. De man verving het trekdier wanneer de diensten van een ‘vrachtrijder’, de voorloper van de loonwerker, niet bekostigd konden worden.

Landarbeiderswet 1919

Artikel over de Landarbeiderswet in de Maas- en Scheldebode van 20 november 1918, bron: http://www.krantenbankzeeland.nl

Vanaf een bepaald moment in de vroege twintigste eeuw ontstond hier en daar een ware race om kleine stukken pachtland, met name die in de directe nabijheid van de dorpen. Landarbeiders en kleine boeren boden tegen elkaar op en zeker tijdens de Eerste Wereldoorlog werden zulke hoge pachtprijzen gegeven, dat een deel van de pachters rond 1920, toen de agrarische prijzen waren gedaald, van hun pacht moesten afzien of verzochten om pachtvermindering. Toch vormde de Eerste Wereldoorlog met zijn hoge prijzen voor de landbouwproducten een extra stimulans voor het de-proletariseringsproces. Onderzoek in een handvol dorpen op de Zeeuwse eilanden wees uit dat vijf tot vijftien procent van de plaatselijke landarbeiders-kostwinners zich tussen 1914 en 1919 wist op te werken tot klein-landbouwer. In Zeeuws-Vlaanderen, waar veel minder grond beschikbaar was, zal dat percentage kleiner zijn geweest. Een volgende stimulans vormde de Landarbeiderswet uit 1918, die landarbeiders voordelige kredietvoorwaarden bood voor het pachten van een stuk land voor eigen exploitatie en / of het laten bouwen van een woonhuis met schuur. De wet trad in 1919 in werking, zodat er zo´n acht tot negen jaren resteerden voor de volgende economische crisis ook haar schaduwen op de agrarische sector begon vooruit te werpen. De de-proletarisering werd vermoedelijk dan ook niet zozeer door de Landarbeiderswet en de jaren 1919-1927 bepaald, maar eerder door de aan deze wet voorafgaande decennia. De de-proletarisering in de vorm van de exploitatie van eigen land door landarbeiders en in het bijzonder het streven van de voorstanders van de Landarbeiderswet werd door een deel van de socialisten bestreden met het argument dat landarbeiders sowieso recht hadden op een fatsoenlijk loon. De exploitatie van eigen land door landarbeiders zou de boeren-werkgevers in de kaart spelen: zij hoefden een minder hoog loon te betalen omdat de arbeiders het resterende bedrag in hun eigen tijd bij elkaar zouden vergaren op het eigen land.

Arbeidsverhoudingen

Op het gebied van de arbeidsverhoudingen had de de-proletarisering vanaf de eeuwwisseling een dubbelzijdig effect. Enerzijds vormden losse landarbeiders met wat land, die relatief onafhankelijk waren van de boeren-werkgevers soms de kern van de vroegste landarbeiderbonden (Serooskerke, Oostkapelle), anderzijds vertrokken arbeiders die zich volledig opwerkten tot klein-landbouwer soms uit de plaatselijke afdeling van de landarbeiderbond waarvan zij eerder de actieve kern hadden gevormd (Ouwerkerk).

AUTEUR

Jan Zwemer, 2012

LITERATUUR

-P.J. Bouman, Geschiedenis van den Zeeuwschen landbouw in de negentiende en twintigste eeuw en ven de Zeeuwsche Landbouw-Maatschappij 1843-1943 (Wageningen, 1946) 297-298.

-A. Geschiere, Het leven van den Walcherschen boer gedurende de laatste twee eeuwen, (Bruinisse, ca. 1934) 47.

-P.E. Werkman, Laat uw doel hervorming zijn. Facetten van de geschiedenis van het Christelijk Nationaal Vakverbond in Nederland (1909-1959) (Amsterdam, 2007) 45, 46.

-J.L. van Zanden, De economische ontwikkeling van de Nederlandse landbouw in de19e eeuw, 1800-1914 (Wageningen, 1985) 331-335.

-J. Zwemer, ‘Huwelijken en sociaal-economische omstandigheden op de Zeeuwse eilanden in de halve eeuw vóór de landbouwcrisis van 1880. Deel 1. Huwelijksleeftijd en –frequentie’, in: Zeeland. Tijdschrift van het Kon. Zeeuws Genootschap der Wetenschappen 20/3 (2011) 82-95.

-J. Zwemer, Onrust en welvaart. Het platteland van de Zeeuwse eilanden in het tijdvak van de Eerste Wereldoorlog, 1910-1922 (Vlissingen, 2011) 75-77, 229-232, 279, 280.