'Outvumme

Uit Wiki Zeeuwse Bibliotheek
Ga naar: navigatie, zoeken
’Outvumme, musterklamp, musterdklamp, musterstaepel of musterdstaepel
Erf te Kerkwerve, met links van het midden een lege houtopslag, daarnaast een rest van een kleine musterdstaepel, foto: R. ten Kate, augustus 1938, Zeeuwse Bibliotheek, Beeldbank Zeeland, recordnr. 114515.

Houtmijt op het boerenerf

Houtmijt op het boerenerf of bij andere particulieren die een eigen oven stookten. Een muster(d)klamp of muster(d)staepel bestond uit musterds, de bij het musteren (zie: musterstoel) gemaakte takkenbossen voor de oven. Wanneer er ook grover snoeihout en bijvoorbeeld stammetjes werden bewaard, was de benaming ’outvumme (soms: ’outvimme) meer op zijn plaats. Snoeihout en musterds droogden in de klamp of vumme aan de wind. Het hout in de klamp werd zo’n jaar met rust gelaten voor het gebruikt werd voor kachel, fornuis of oven. De oven werd bij voorkeur met musterds gestookt. De vumme of klamp stond op het boerenerf niet ver van woonhuis en bakkeête op een plek waar de wind hem goed kon bereiken. Bij een grote boerderij waren soms verschillende vummen. Daarbij was dan meestal een klamp gekloofd hout (klief’out, fasseêl’out, vaem’out) die eventueel een vaste maat had: twaalf bij zes voet (circa 3.60 bij 1.80 meter). Tronken en gekloofde stammen van knotwilgen en meidoorns maakten onderdeel uit van een vumme of lagen erbij of ertegenaan. De plek waar diverse houtstapels bij elkaar stonden op het boerenerf of bij een buitenplaats heette het staepel’ of het ’oop’of. Bij boerderijen stonden daar ook eventueel stroôstaepels (stroklampen), ’ooi’open (hooibergen) en / of een stapel koôlstroô (koolzaadstro). Ook vlas en, in het verdere verleden, meekrap werden wel in vummen opgetast.

Constructie van de stapel

De stapels hout waren eventueel volgens een bepaald patroon opgebouwd. Zo konden ze rusten op stammen van knotwilgen die een eindje in de grond geplant waren. Daarop lagen dan palen en daarboven musterds. De vumme was rechthoekig en had bovenop een soort afdakje van scheef gestapelde musterds met daarbovenop nog weer losse takken onder een hoek van 45 graden. Via die takken liep het regenwater naar beneden zonder het binnenste van de vumme te bereiken. De zijwanden waren open dan wel dichtgemaakt met planken. Soms was er ook een primitief (open) dak van stammetjes zodat de vumme een soort huisje leek, dat intact bleef als het hout op was en dat later weer werd gevuld. Men kon midden in de ’outvumme ook andere materialen droog bewaren, zoals kolen of zelfs een kar. In de loop van het jaar werd de ’outvumme steeds kleiner omdat er steeds meer van werd gebruikt voor stookhout en eventueel voor andere doeleinden. Tegelijkertijd werd elke winter weer een nieuwe vumme opgetrokken waarvan het jaar daarna gestookt werd.

Diversen

'Outvumme op een boerderij in Nieuwvliet, uit: G. Smallegange, Rond ’t hof. Boerderijen en boerenleven in Zeeland (Goes, 2003) 96.

De ’outvumme was een plek waar diverse dieren een schuilplaats hadden. Onderin huisden nogal eens egels, terwijl ook bunzingen er hun toevlucht zochten. Bovenin leefden allerlei kleine vogels. Diep in de musterds waren ze zelfs voor katten onbereikbaar. Een woord waarvan de oorspronkelijker vorm vimme is afgeleid, fimba, komt al voor in het oudsaksisch. Niet alleen het Zeeuws, ook het verwante Westvlaams kent het woord vimme of vumme in de hierboven beschreven betekenis, maar het kan in het Westvlaams en trouwens ook in het Fries, tevens een bepaalde rekeneenheid uitdrukken: 100 of 104 bossen hout of graan. In Holland werd het woord vroeger ook gebruikt voor een hout, riet- of strostapel van een bepaald formaat of bestaand uit een bepaald aantal bossen, met name 120.

Een tijdelijke afschutting van stro in de boerenschuur werd voorheen in Zeeland en op Goeree-Overflakkee wel een vumme of vimme genoemd.

AUTEUR

-Jan Zwemer, 2013.

LITERATUUR

-H.C.M. Ghijsen (red.), Woordenboek der Zeeuwse dialecten (Den Haag, 1974) 1072.

-W. Halfwerk, Cursus Streekeigen Erven in Zeeland (Goes, 1999) 32.

-G. Smallegange, Op ’t hof. Boerderijen en boerenerven in Zeeland (Goes, 2001) 53-54.

-G. Smallegange, Rond ’t hof. Boerderijen en boerenleven in Zeeland (Goes, 2003) 96-97.

-A.A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (Assen, 1996) 222.

-Het Woordenboek der Nederlandsche Taal op CD-Rom (Rotterdam, 2000).