Wanteskuip

Uit Wiki ZB
Versie door Johan Francke (overleg | bijdragen) op 25 sep 2014 om 08:37
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken
Wanteskuip (wantjeskuip)

Natte inlaag ten westen van Colijnsplaat, aan de noordwestzijde van de tegenwoordige Oud-Noord-Bevelandpolder en gelegen binnen de Westelijke inlaag (1829). Onder kuip(e) verstaat men een klein geïnundeerd stukje land, dat weer rondom is ingedijkt of als het ware ingekuipt; bij de Wanteskuip gebeurde dat in 1785. De kuip werd genoemd naar J. Wante, een vroegere bewoner van een boerderij achter deze inlaag; hij had de inlaag enige jaren in pacht. De Wanteskuip liep op 30 oktober 1909 opnieuw onder ten gevolge van een gedeeltelijke dijkval, waarna zij lang ‘drijvende’ bleef.

In de Wanteskuip liggen de overblijfselen van het in 1530 verdronken dorp Hoeke, Dijxhoeke, Soecke). De Middelburgse geneesheer J.C. de Man (1818-1909) liet onderzoek verrichten, toen hier in 1866 onder andere geraamten waren aangetroffen bij kleiwinning voor dijkherstel (zie ook Oud Noord-Bevelandpolder). Er werden overblijfselen van een gebouw ontdekt, welke fundamenten in 1924 opnieuw tevoorschijn kwamen en nadien door de getijdenwerking weer deels verloren gingen. Misschien betrof het een kapel, resten van een kasteeltje van de heren van Emelisse of (andere) sporen van het verdronken Dijxhoeke. Ook nadien zijn herhaaldelijk funderingen van grote moppen bouwmaterialen) en tal van menselijke skeletten antropologie) blootgespoeld (‘Soucksche Kerkhof, Soecxse Kerkekhoff’). Ook in 1938 werden weer schedels verzameld, sommige met nog ‘rijkelijk donker haar’ erop. Wanteskuip was in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw één van de vele onderzoeksterreinen van de regionaal bekende, excentrieke amateur-archeoloog P.C. (Piet) Zuijdweg (1909-1979) uit Kats. De archeologische resten in de Wanteskuip bevinden zich sinds het jaar 2000 onder een drijvend, kunstmatig vogeleilandje dat de naam Soecke kreeg.


AUTEUR

-J.A. Trimpe Burger; herz. Jan J.B. Kuipers, 2013


LITERATUUR

-A.J. van Bork-Feltkamp, ‘Anthropologica uit oude Zeeuwse begraafplaatsen’, in: Archief : vroegere en latere mededeelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland / uitg. door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1965) 21-50.

-M.P. de Bruin en M.H. Wilderom, Tussen afsluitdammen en deltadijken, dl. I (Vlissingen, 1961).

Alette van den Hazelkamp, Cultuurhistorie aan de Oosterscheldedijken. Een cultuurhistorische visie bij dijkverbeteringswerken aan de Oosterschelde (Goes, 2008).

-‘Jaarverslag’, in: Archief: vroegere en latere mededeelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1924/1925) II-III.

-Jan J.B. Kuipers (eindred.), Sluimerend in slik. Verdronken dorpen en verdronken land in zuidwest Nederland (Middelburg/Vlissingen, 2004) 48-49 nr. 18, 74-75.

-Jan J.B. Kuipers, ‘Piet Zuijdweg, de man die alles zocht’, in: Westerheem 55/5 (2006) 238-245.

-Jan J.B. Kuipers & Chiel Jacobusse, Inlagen en karrevelden. Het Zeeuwse monument 1 (Goes, 1998).

-J.C. de Man, Bijdrage tot de kennis van den schedelvorm in Walcheren De begraafplaats "Bloemendaal" te Domburg De verspreiding der bevolking in oud-Zeeland's eilanden Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland en Saaftinge. Craniologica et ethnographica zelandica/ herdrukt uit het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde (1885, 1889, 1895).


Tekst uit de Encyclopedie van Zeeland 1982-1984

Inlaag ten westen van Colijnsplaat, aan de noordwestzijde van de tegenwoordige Oud Noord-Bevelandpolder. Onder kuip(e) verstaat men een klein geïnundeerd stukje land, dat weer rondom is ingedijkt of als het ware ingekuipt (1785). De kuip werd genoemd naar J. Wante, een vroegere bewoner van een boerderij achter deze inlaag; hij had de inlaag enige jaren in pacht. In Wanteskuip liggen de overblijfselen van het in 1530 verdronken dorp Hoeke Dijxhoeke). Wanteskuip is op 30 oktober 1909 ondergelopen ten gevolge van een gedeeltelijke dijkval. Sedertdien zijn telkens funderingen van grote moppen bouwmaterialen) en tal van menselijke skeletten antropologie) blootgespoeld ('Soucksche Kerkhof, Soecxse Kerkekhoff). In 1866 zijn ter plaatse zware fundamenten opgetekend, welke bij kleiwinning voor dijkherstel tevoorschijn kwamen (zie ook Oud Noord-Bevelandpolder).