Buskruit: verschil tussen versies

Uit Wiki ZB
Ga naar: navigatie, zoeken
k
k
Regel 1: Regel 1:
Buskruit
+
{{Buskruit
 
+
}}
 
Een ontplofbaar mengsel van salpeter, zwavel en houtskool, ongeveer in de gewichtsverhouding 75:10:15. Het kwam in Europa omstreeks 1350 in gebruik om, met een lont tot ontploffing gebracht, een loden kogel voort te drijven uit een buis ('busre'), die aan één zijde gesloten was. Naast zulke vuurwapens bleven nog ruim een eeuw lang ook boog en pijlen als strijdwapens van praktisch belang, o.a. omdat daarmee per tijdseenheid veel vaker kon worden geschoten dan met de toenmalige vuurwapens. In 1373/74 was de stad Middelburg verplicht een legerafdeling uit te rusten om deel te nemen aan een veldtocht van de landsheer (Albrecht van Beieren, graaf van Holland en Zeeland) en kocht daartoe te Brugge salpeter en zwavel om `donderbuscrucie' te bereiden, benevens lood om 'donderbuscloten' te gieten. Het fijnstampen en mengen van de bestanddelen geschiedde aanvankelijk met de hand, hetgeen gevaar voor ontploffing met verwonding en brand meebracht. Het stadsbestuur van Middelburg verbood dan ook herhaaldelijk dit werk aan huis te doen en wees er later een toren voor aan (nl. de Duvelstoren, die ongeveer bij de tegenwoordige Bellink brug stond). Reeds kort na 1400 werd het bereiden van buskruit gemechaniseerd. Een oliemolen was voor stampen en persen ingericht en kon (te Middelburg in 1411) met kleine wijzigingen ook voor de bereiding van buskruit gebruikt worden. Later werden speciale kruitmolens gebouwd. De stedelijke schutterijen, die oorspronkelijk uit boogschutters bestonden en die als gilden georganiseerd waren, gingen tussen 1450 en 1500 ter verdediging der stad steeds meer op vuurwapens van verschillend kaliber over. Te Middelburg werd in 1509 naast de bestaande schuttersgilden van de handboog (St.-Sebastiaan) en van de voetboog (St.-Joris) een afzonderlijk gilde van de `hantbusse en couleuvriniers' opgericht. De ze laatsten hanteerden een vrij lang en dun vuurwapen, dat aan een slang (couleuvre) deed denken. Hun gebouw en oefenbaan lag aan de zuidzijde van de Dam. Toen zij daar niet langer gehandhaafd konden worden, kregen zij een nieuw terrein buiten de Langeviele-poort, waar van 1607 tot 1611 een nieuw gebouw voor hen gesticht werd. Zwavel werd vanouds uit de landen rond de Middellandse Zee aangevoerd. Salpeter werd meestal in Vlaanderen aangekocht, maar kon in het Europese klimaat slechts in beperkte hoeveelheden gewonnen worden. Toen door de Oostindische Compagnie een scheepvaartverbinding met het Verre Oosten tot stand gebracht was, kon salpeter voordeliger en in groter hoeveelheden uit India aangevoerd worden. Deze aanvoer zal er dan ook wel aanleiding toe gegeven hebben, dat er in de 18e eeuw op Middelburgs grondgebied drie kruitmolens waren, genaamd de Grenadier, de Eendracht en de Gouden Draak, alle buiten de stad nabij het toenmalige havenkanaal, waarlangs nu de Nieuwlandse Wee ligt. De herinnering aan laatstgenoemde kruitmolen wordt levendig gehouden door de straatnaam 'Kruitmolenlaan' te Middelburg Technische bijzonderheden van de inrichtin g dezer kruitmolens zijn ons niet bekend. Waarschijnlijk waren het rosmolens, waarin de drijfkracht geleverd werd door een paard, dat in een kring rondliep en aldus een as in beweging bracht. De molenstenen waren waarschijnlijk een stilliggende steen en twee, verticaal op de legger staande, rollende stenen (Kollerwerk). Te Vlissingen stond aan de landzijde een kruitmolen, die in 1701 door een ontploffing verwoest, bij de duinen herbouwd is en tot begin der 19e eeuw bestaan heeft.
 
Een ontplofbaar mengsel van salpeter, zwavel en houtskool, ongeveer in de gewichtsverhouding 75:10:15. Het kwam in Europa omstreeks 1350 in gebruik om, met een lont tot ontploffing gebracht, een loden kogel voort te drijven uit een buis ('busre'), die aan één zijde gesloten was. Naast zulke vuurwapens bleven nog ruim een eeuw lang ook boog en pijlen als strijdwapens van praktisch belang, o.a. omdat daarmee per tijdseenheid veel vaker kon worden geschoten dan met de toenmalige vuurwapens. In 1373/74 was de stad Middelburg verplicht een legerafdeling uit te rusten om deel te nemen aan een veldtocht van de landsheer (Albrecht van Beieren, graaf van Holland en Zeeland) en kocht daartoe te Brugge salpeter en zwavel om `donderbuscrucie' te bereiden, benevens lood om 'donderbuscloten' te gieten. Het fijnstampen en mengen van de bestanddelen geschiedde aanvankelijk met de hand, hetgeen gevaar voor ontploffing met verwonding en brand meebracht. Het stadsbestuur van Middelburg verbood dan ook herhaaldelijk dit werk aan huis te doen en wees er later een toren voor aan (nl. de Duvelstoren, die ongeveer bij de tegenwoordige Bellink brug stond). Reeds kort na 1400 werd het bereiden van buskruit gemechaniseerd. Een oliemolen was voor stampen en persen ingericht en kon (te Middelburg in 1411) met kleine wijzigingen ook voor de bereiding van buskruit gebruikt worden. Later werden speciale kruitmolens gebouwd. De stedelijke schutterijen, die oorspronkelijk uit boogschutters bestonden en die als gilden georganiseerd waren, gingen tussen 1450 en 1500 ter verdediging der stad steeds meer op vuurwapens van verschillend kaliber over. Te Middelburg werd in 1509 naast de bestaande schuttersgilden van de handboog (St.-Sebastiaan) en van de voetboog (St.-Joris) een afzonderlijk gilde van de `hantbusse en couleuvriniers' opgericht. De ze laatsten hanteerden een vrij lang en dun vuurwapen, dat aan een slang (couleuvre) deed denken. Hun gebouw en oefenbaan lag aan de zuidzijde van de Dam. Toen zij daar niet langer gehandhaafd konden worden, kregen zij een nieuw terrein buiten de Langeviele-poort, waar van 1607 tot 1611 een nieuw gebouw voor hen gesticht werd. Zwavel werd vanouds uit de landen rond de Middellandse Zee aangevoerd. Salpeter werd meestal in Vlaanderen aangekocht, maar kon in het Europese klimaat slechts in beperkte hoeveelheden gewonnen worden. Toen door de Oostindische Compagnie een scheepvaartverbinding met het Verre Oosten tot stand gebracht was, kon salpeter voordeliger en in groter hoeveelheden uit India aangevoerd worden. Deze aanvoer zal er dan ook wel aanleiding toe gegeven hebben, dat er in de 18e eeuw op Middelburgs grondgebied drie kruitmolens waren, genaamd de Grenadier, de Eendracht en de Gouden Draak, alle buiten de stad nabij het toenmalige havenkanaal, waarlangs nu de Nieuwlandse Wee ligt. De herinnering aan laatstgenoemde kruitmolen wordt levendig gehouden door de straatnaam 'Kruitmolenlaan' te Middelburg Technische bijzonderheden van de inrichtin g dezer kruitmolens zijn ons niet bekend. Waarschijnlijk waren het rosmolens, waarin de drijfkracht geleverd werd door een paard, dat in een kring rondliep en aldus een as in beweging bracht. De molenstenen waren waarschijnlijk een stilliggende steen en twee, verticaal op de legger staande, rollende stenen (Kollerwerk). Te Vlissingen stond aan de landzijde een kruitmolen, die in 1701 door een ontploffing verwoest, bij de duinen herbouwd is en tot begin der 19e eeuw bestaan heeft.
  
Regel 11: Regel 11:
  
 
[[category:Geschiedenis]]
 
[[category:Geschiedenis]]
[[category:Krijgskunde]]
+
[[category:krijgskunde]]

Versie van 21 okt 2014 om 14:16

Sjabloon:Buskruit Een ontplofbaar mengsel van salpeter, zwavel en houtskool, ongeveer in de gewichtsverhouding 75:10:15. Het kwam in Europa omstreeks 1350 in gebruik om, met een lont tot ontploffing gebracht, een loden kogel voort te drijven uit een buis ('busre'), die aan één zijde gesloten was. Naast zulke vuurwapens bleven nog ruim een eeuw lang ook boog en pijlen als strijdwapens van praktisch belang, o.a. omdat daarmee per tijdseenheid veel vaker kon worden geschoten dan met de toenmalige vuurwapens. In 1373/74 was de stad Middelburg verplicht een legerafdeling uit te rusten om deel te nemen aan een veldtocht van de landsheer (Albrecht van Beieren, graaf van Holland en Zeeland) en kocht daartoe te Brugge salpeter en zwavel om `donderbuscrucie' te bereiden, benevens lood om 'donderbuscloten' te gieten. Het fijnstampen en mengen van de bestanddelen geschiedde aanvankelijk met de hand, hetgeen gevaar voor ontploffing met verwonding en brand meebracht. Het stadsbestuur van Middelburg verbood dan ook herhaaldelijk dit werk aan huis te doen en wees er later een toren voor aan (nl. de Duvelstoren, die ongeveer bij de tegenwoordige Bellink brug stond). Reeds kort na 1400 werd het bereiden van buskruit gemechaniseerd. Een oliemolen was voor stampen en persen ingericht en kon (te Middelburg in 1411) met kleine wijzigingen ook voor de bereiding van buskruit gebruikt worden. Later werden speciale kruitmolens gebouwd. De stedelijke schutterijen, die oorspronkelijk uit boogschutters bestonden en die als gilden georganiseerd waren, gingen tussen 1450 en 1500 ter verdediging der stad steeds meer op vuurwapens van verschillend kaliber over. Te Middelburg werd in 1509 naast de bestaande schuttersgilden van de handboog (St.-Sebastiaan) en van de voetboog (St.-Joris) een afzonderlijk gilde van de `hantbusse en couleuvriniers' opgericht. De ze laatsten hanteerden een vrij lang en dun vuurwapen, dat aan een slang (couleuvre) deed denken. Hun gebouw en oefenbaan lag aan de zuidzijde van de Dam. Toen zij daar niet langer gehandhaafd konden worden, kregen zij een nieuw terrein buiten de Langeviele-poort, waar van 1607 tot 1611 een nieuw gebouw voor hen gesticht werd. Zwavel werd vanouds uit de landen rond de Middellandse Zee aangevoerd. Salpeter werd meestal in Vlaanderen aangekocht, maar kon in het Europese klimaat slechts in beperkte hoeveelheden gewonnen worden. Toen door de Oostindische Compagnie een scheepvaartverbinding met het Verre Oosten tot stand gebracht was, kon salpeter voordeliger en in groter hoeveelheden uit India aangevoerd worden. Deze aanvoer zal er dan ook wel aanleiding toe gegeven hebben, dat er in de 18e eeuw op Middelburgs grondgebied drie kruitmolens waren, genaamd de Grenadier, de Eendracht en de Gouden Draak, alle buiten de stad nabij het toenmalige havenkanaal, waarlangs nu de Nieuwlandse Wee ligt. De herinnering aan laatstgenoemde kruitmolen wordt levendig gehouden door de straatnaam 'Kruitmolenlaan' te Middelburg Technische bijzonderheden van de inrichtin g dezer kruitmolens zijn ons niet bekend. Waarschijnlijk waren het rosmolens, waarin de drijfkracht geleverd werd door een paard, dat in een kring rondliep en aldus een as in beweging bracht. De molenstenen waren waarschijnlijk een stilliggende steen en twee, verticaal op de legger staande, rollende stenen (Kollerwerk). Te Vlissingen stond aan de landzijde een kruitmolen, die in 1701 door een ontploffing verwoest, bij de duinen herbouwd is en tot begin der 19e eeuw bestaan heeft.

AUTEUR P.J. v.d. Feen, E. van Wijk

LITERATUUR Kesteloo, Stadsrekeningen I. Zelandia Illustrata I, 652. Paspoort, Zeeland. Unger, Bronnen geschiedenis Middelburg I en II. Vermeulen, Kruitmolen. 10-11.